Ik kom aan bij een groot huis op een heuvel langs de weg naar Nairobi in het noorden van Arusha. Karibu (welkom) zegt de man die de deur voor me opent. Dit woord zal ik nog heel vaak horen, ook op weg naar Ndutu waar ik twee dagen later met Mussa naar toe rijd. Ndutu -350 kilometer van Arusha over moeilijk begaanbare wegen- is de plaats waar in deze tijd de jonge gnoes worden geboren. Onderweg komen we over de richel van de Ngorongorokrater (3000 meter hoog). Plotseling ontvouwt zich een prachtig groen landschap met andere kraters, bossen en het enorme zoutmeer Manjara. Alles: de bladeren van de bomen, de grasvlakten en het zoutmeer zijn roze-roodbruin van het vulkaanstof. En dan opeens gebeurt het. Daar zijn ze! De gnoes! Ik zie de dieren waar ik me jaren in heb verdiept in hún land: Afrika!
Ndutu is de naam van de lodge: het hotel op de savanne waar ik woonde in een tent en mijn maaltijden uit en in het goed geoutilleerde restaurant kon krijgen; de manager Aadje Geertsema is Nederlandse .
AFRIKA-JOURNAAL
Het vliegtuig komt aan op de uitgestrekte vlakte (plains) aan de voet
van de Kilimanjaro: de berg van het water. Dit is de hoogste berggroep
van Afrika: de top meet 5800 meter boven de zeespiegel. Het voelt tropisch
warm; het is om acht uur in de morgen al 25 graden. De hal van het vliegveld
is een klein wit gebouw. Er staat een landrover voor me klaar; achter
het stuur zit Mussa met wie ik vier weken zal optrekken. Op weg naar
de stad Arusha staan bomen met gele en oranje bloesem. Langs de weg lopen
mensen met gele jerrycans water op hun hoofd. Sommigen fietsen met hun
jerrycan of vervoeren er een paar op hun ezel. We komen ook mensen tegen
met manden bananen op hun hoofd. Sommige auto's zijn afgeladen
met bananen En met mensen die over de rand lijken te vallen. Ik
zie Afrikaanse hutten. Wat een indrukken! Het is nog moeilijk te beseffen,
maar ik ben werkelijk in Afrika!
Lees verder...
| © 2011 Meneer Web |

uit het Afrika-journaal 1999 - Voorkant

